gevonden voorwerpen

GETOKKELDE TONGETJES

Een tijdje geleden heb ik een brillendoosje gevonden met daarin drie mij onbekende ijzeren voorwerpen van verschillende grootte. Ondertussen werd hier ten huize zonder veel succes door verschillende personen die het kenden gedemonstreerd dat het muziekinstrumentjes zijn. (De naam Peter Frampton is zelfs gevallen, maar het effect in “Show me the way” bleek toch met een talk box  bekomen te zijn ) Niemand wist echter ook effectief een naam op het instrument te plakken. En alle – meestal lachwekkende – pogingen om daar ook nog een melodie  uit te krijgen liepen desastreus af.

Na lang googelen heb ik eindelijk gevonden dat het instrument een  ‘mondharp’ heet en inderdaad gebruikt wordt zoals het me voorgedaan werd. Ik had het moeten kennen, wordt ook regelmatig gebruikt door country-muzikanten -weet ik veel dat wat ze buiten een mondharmonica nog tegen hun mond houden er zo uitziet) Misschien waardeloos en misschien zelfs opzettelijk achtergelaten maar evengoed misschien van een bevlogen en gepassioneerde muzikant(e), een folkgezelschap of een straatmuzikant die er zijn brood mee verdient.  Misschien is het van grote emotionele waarde, het zou ook een erfstukje van een muzikale grootvader kunnen zijn of een eindelijk -hierzoekikaljarennaar – gevonden buit op een brocantemarkt!

Bent u uw tokkeldtongetjes kwijt en bent u daar nu al een paar weken vruchteloos en wanhopig naar op zoek? Treur niet langer. Laat hieronder even weten wat er op de buitenkant van de brillendoos staat en waar u vermoedt het verloren te hebben en ik stuur u uw eigendom zo snel mogelijk terug. Het leverde mij interessante gesprekken, nieuwe kennis en een blogstukje op, waarvoor dank.

getokkelde tongetjes

(U kan me ook mailen maar laat dat dan even weten in het reactieluik want aangezien ik zelden of nooit gemaild wordt op mijn blogmailadres consulteer ik deze mailbox slechts héél zelden…)

Advertenties

The big picture

VAL NU OMVER!

Vorig jaar ontdekte ik deze website door de verbluffende foto’s over de Olympische Spelen en sindsdien ben ik een trouw bezoeker. Vandaag van je sokken blazende foto’s over Afganistan, het verloren land, zoals het gisteren in Pauw&Witteman gesteld werd.

En kijkt u ook eens verder.

De fotoreportage bijvoorbeeld over de performance “The Berlin Reunion” van Royal De Luxe, het bekende Franse theatergezelschap. Begin oktober waren ze te gast in Berlijn ter gelegenheid van de 20ste verjaardag van de val van de Berlijnse Muur. Op Arte zag ik hierover een boeiende reportage,  de foto’s zijn hierop een fantastische aanvulling. Die details, die sfeer. Waw.

En terwijl ik toch bezig ben, via Do You Read Me!? (“Inspiratiemagazine over kunst, media en lifestyle”) een verrassend “Disney” filmpje. Zelfs (of net?) grote jongens vallen in herhaling.

(Moet ik me zorgen maken, ik lijk de laatste tijd nogal veel té enhousiast…)

en ondertussen bij de VDAB

OJA, IK BEN OOK NOG WERKZOEKEND!

Ik begrijp het niet.

Ik heb amper een werklozengeschiedenis, dit in tegenstelling tot al de olijkerds die ik hier mocht ontmoeten. Na mijn ontslag in 2008 ben ik nog lange tijd uitbetaald geweest door mijn ex-werkgever (zelfs toen werd ik al goed opgevolgd!), heb outplacement gevolgd en ook ondertussen al zes maand gewerkt met een tijdelijk contract. Ik heb al bij al sinds april 2008 nog geen drie volle maanden werkloosheidsuitkering ‘genoten’ en heb een dikke map vol sollicitaties. Ik sta ingeschreven bij elk interimkantoor, ondanks mijn weerzin voor hun systeem. Ik ga op elke vrijwillige uitnodiging (bedrijfsbezoeken, jobclub, etc..) in, ook al zien ze me er liever gaan dan komen. Ik liet me vorige week zelfs spontaan zien in de werkwinkel in het kader van de week van het werk. (Ze verkochten trouwens geen werk dat me beviel). In februari starten er in de sector een aantal nieuwe projecten waar ik naar uitkijk en hopelijk kans maak om aan mee te werken. Je kan me er dus niet echt van beschuldigen dat ik werkloos toekijk, geen initiatief neem of “profiteer”. Ik neem trouwens het heft in eigen handen omdat ik wel degelijk afgeschrikt ben door de “bedreigingen” van het VDAB dat je zes maand lang hun aanbiedingen mag weigeren maar dat je dan op hun voorgestelde vacature moet ingaan. Net door die voorstellen ben ik actief zelf op zoek naar een baan die bij mij past en ietwat in de lijn ligt van mijn vroegere baan, zowel qua inhoud en zeker qua verloning. En dat is niet wat ik door het VDAB voorgesteld krijg. Integendeel. Van hen zal het niet moeten komen.

Ik begrijp het niet.

Ondanks dit alles ligt er hier nu weer een net bezorgde VERPLICHTE uitnodiging op tafel voor een informatievergadering ivm openstaande vacatures bij een dochteronderneming van een bekende grootwarenhuisketen, met mogelijkheid tot een individueel gesprek met de werkgever. Ik ken het ondertussen al, afgaande op mijn mailverkeer met de VDAB. Assistent-filiaalhouder, winkelrekvuller, eerste verkoopster of kassierster. Met lonen tussen de 1700 eur en 1900 eur bruto. (FYI: ik zat in een looncategorie waar mijn netto verloning deze bedragen ruimschoots overschreed …)

Ik begrijp het niet.

Hopeloos veel vacatures in de distributie en de zorgverstrekking. Maar moet ik die gaan invullen met mijn professionele achtergrond? Maar als ze me nu al bestoken met deze aanbiedingen hoe lang kan/mag ik dan weigeren? Ik kan me namelijk niet voorstellen dat de werkgever me niet geschikt zal vinden voor deze vacature, tenzij door het grondig gebrek aan motivatie. Het blijft me bezighouden. De nachtmerrie waarover een blogster onlangs zo treffend berichtte hangt als het zwaard van Damocles boven mij:

“Op vijftien oktober anno domini 2009 zwaai ik af als WEPper ( WEP = werkervaringsproject). Zo wordt die marginale sekte van de bevolking genoemd die wel werken wíl maar geen werk vindt. Door morele intimidatie van zowel de RVA als de VDAB (je dacht toch niet dat die onafhankelijk opereerden) komt deze groep in een circuit terecht waar enkel de zogeheten Vader Staat en de subsidieontvanger voordeel aan hebben.
De VDAB opperde dat ik in de welzijnszorg mijn steentje zou kunnen bijdragen. Een sociaalvoelend mens als ik, in aantal levensjaren afgeschreven in de statistieken van de actieve bevolking, moest immers doorgeloodst worden. Eén werkloze minder in de annalen en alzo meetellend in het resultaat van de Belgische begroting. Ettelijke ministers hebben jarenlang het hoofd gebogen over de, volgens hen, geniale regels bestemd voor deze futiele groep.
In een oogopslag werd ik van directiesecretaresse naar arbeidster herbestemd met een uurloon dat een heel stuk lager lag dan de verdienste van mijn dochter die studentenjobde. Maar ik kreeg wel een bijdrage van vier euro per maand voor het dragen van een schort en ik mocht deelnemen aan een cursus ‘Hef- en Tilwerk’. Eindelijk weet ik nu ook hoe je een dweil op de voor mij meest voordelige manier moet uitwringen, haha. De diapresentaties waren hilarisch.
Mijn beroep voor het volgende jaar zou voortaan ‘Bejaardenoppas’ heten. Een even frustrerende benaming voor mij als voor mijn cliënten.
De VDAB stuurde me vanaf mijn indiensttreding geen vacatures meer die bij mijn opleiding pasten. Voor hen was ik gedurende een jaar van straat en konden (lees: wilden) ze niets meer voor mij doen. Er zat voor mij niets anders op dan mij aan te passen. Meer zelfs, ik moest ervoor zorgen dat ik deze occupatie behield en niet ontslagen werd, zo niet zou ik mijn werkloosheidssteun verliezen.”

(…)

en ze besluit:

“Ik heb momenteel nog geen andere job op het oog maar de werkloosheidssteun die ik in de toekomst zal krijgen zal alleszins hoger zijn dan wat ik dit jaar verdiende.”
(…)
WEPpen of doppen? Wat mij betreft bestaat daar simpelweg geen twijfel over.”

Die zorgverstrekking in onze maatschappij, die iedereen vanzelfsprekend vindt, dat is voer voor een andere discussie. Maar de manier waarop ze met werkzoekenden omgaan voor de meerdere eer en glorie van de  statistieken is beangstigend. Er wordt me zelfs nog geen tijd gegund om zelf iets passends te zoeken.

Mijn vrees zal nog waarheid worden. Ach waarom kon ik nu toch niet liever naar soaps en telenovella’s gekeken hebben? De keuze tussen dat en rekkenvulster. Te laat.

Ik ga een beetje therapeutisch bladeren harken. Mag dat eigenlijk wel zo overdag tijdens de kantooruren? Wat denkt U, van de RVA of de VDAB, die meeleest?


ik vertrek (niet)

NED1 – DO 22 OKT – 21U35

Ik droom ervan – ja, ik ben er zucht zo eentje – om alles achter te laten en naar Frankrijk of Italië te trekken. Om die reden mag ik graag kijken naar programma’s zoals ‘Ik vertrek’. Vooral omdat de trieste realiteit die meestal achter die dromen zit me er al meermaals van overtuigd heeft om het maar bij een droom te laten. Een mens moet niet al zijn dromen verwezenlijken. Net vanavond gaat het weer over een Nederlands gezin dat naar Frankrijk trekt om een chambre d’hôte te runnen. Het magische woord. Chambre d’Hôte.

Nu was ik net weer twee weken in Frankrijk en dan lijkt die droom weer even verwezenlijkbaar. Net zoals deze en gene moedige mensen het aangedurfd hebben. De eerste dagen wordt er dan ook geen enkele etalage van de talrijke immokantoren overgeslagen. Spotgoedkope optrekjes daar. Met heel wat mogelijkheden. Een nieuw begin, een nieuw leven.  Ik zie het alweer helemaal voor me. Tot een paar dagen verder. Ik weet niet of het aan het seizoen ligt of aan de streek, en begrijp me niet verkeerd, voor mezelf vind ik het goddelijk, maar door de ogen van een toekomstige B&B uitbater is het deprimerend. Ook door de ogen van een plaatselijke uitbater van de “Alimentation Générale”, de “Boucherie” met zijn echte slager/vakman en de “Patisserie” waar vakmanschap nog meesterschap is. Er is geen kat te zien. Nergens. Nooit.

Hele dagen dwaal ik door vervallen en verlaten dorpjes, pittoresk en sprookjesachtig, maar de bordjes “à vendre” tieren welig. Halve dorpen staan leeg, daken zijn ingevallen, huizen verwaarloosd. Het lijkt wel of Fransen jarenlang, neen, eeuwenlang, geen vinger uitsteken naar hun huis en het dan maar wanhopig omdat er niks meer mee aan te vangen is, op de markt gooien en naar een losstaande nieuwbouw in een randstad verhuizen. Natuurlijk is het omdat er in een dorp niks te beleven valt, er geen werk is en geen toekomst. Maar  ik interpreteer het zo. Het deprimeert mij. Hele dagen loop ik vanuit mijn kleine middenstander achtergrond “ochot” en “ocharme” te zuchten. Overal wil ik iets kopen om een kleine bijdrage te leveren aan de plaatselijke economie en betreur ik het dat ik die niet in mijn eentje zal kunnen redden. Winkels waar de tijd stil is blijven staan. Decoratiezaken waar men nog prullaria en koperwerk nieuw verkoopt, dingen die hier al jaren in het kringloopcentrum beland zijn. Etalages en interieurs die ik me herinner uit de jaren zestig en zeventig in mijn dorp. Ik loop over van compassie en lig me ’s avonds nog af te vragen hoe die mensen kunnen overleven. (Gelukkiger en vrolijker dan ik hoogstwaarschijnlijk…)

Nochtans blijkt er uit alles enthousiast optimisme. In het kleinste dorpje waar je in één zucht doorsteekt, is het dorpsplein perfect en netjes aangelegd en onderhouden, zijn de straten in uitstekende staat. Verwachtingsvol zijn er overal – vooral in de nabijheid van alweer een verlaten kasteel – de mooiste en grootste parkings aangelegd. 400 plaatsen! juicht men op het bord, om dan iets verder zelf inderdaad een reuze parking met welgeteld één auto aan te treffen. Bloembakken, richtingaanwijzers naar de kleinste curiositeit en informatieborden die hoopvol  de weg wijzen naar  alle handelaars van het dorp. Moedig en volhardend. Bewonderenswaardig en voorbeeldig. Echt, het ontroert me telkens weer.

In de gidsen staan er bezienswaardige dorpjes aangegeven met de meest levendige en vrolijke foto’s, bruisend van plaatselijke activiteit. Bij je bezoek blijken die er desolaat en vervallen bij te liggen. Fermé en een paar blaffende honden en alweer kaduke huizen, verder niks te zien. Misschien zit het ontbreken van de zon er ook voor iets tussen en ziet zo’n dorp er onder een stralende zon en bij 25° heel anders uit, maar van de vijftig keramisten die er volgens de gids zouden gezeten hebben moeten er toch al zo’n pakweg 45 doodgevallen zijn van verveling, miserie of honger. Of weggetrokken naar betere oorden.

In een andere stadje doe ik alle moeite van de wereld om toch maar één koopwaardig stuk te vinden in de brocantezaak met prachtige authentieke gevel die een likje verf kan gebruiken. Om de zo te zien zeer recente uitbaters, een koppel enthousiaste prille twintigers, een hart onder de riem te steken. Ik ben de enige bezoeker en het ziet er niet naar uit dat er zo direct nog een volgende in aantocht is. In het dorp bij het vakantiehuis staat de brocantezaak al sinds ik er voor het eerst kwam te koop. Op het raam hangt nog – moment de gloire – een vergeeld krantenartikel van ’98 waarin deze winkel trots aangekondigd wordt als de beste in de verre omtrek, met een foto van de trotse, glunderende eigenaars.  In de andere zit de fiere uitbater op exact dezelfde plaats tussen zijn onvoorstelbare immense rommel bijna  net niet in het spinnenrag en liggen in de bestofte etalagekasten nog exact dezelfde spullen, ik herinner ze me nog. Ik koop er alweer twee – overbodige – kopjes met schoteltje.

Ik vind het er zalig, nog eens. Lege straten, nergens ook maar één toerist te bespeuren, heerlijk.  Ik geniet. Maar telkens wanneer ik er ben wordt er een streep meer door mijn droom getrokken. Ik zie in de meest verlaten dorpjes bewegwijzering naar een B&B, maar waar zitten die toeristen dan? Wie komt daar? Hoe overleeft men financieel? En als het dan al in de zomer druk is – toe, iemand, a.u.b., zeg me dat het daar dan op de koppen lopen is!– hoe overbrugt men dan de winter?

Ik zie het al jaren voor me. Een gite rural. Eigen groenten, fruit, beesten. Een bordje aan de kant van de weg “Wir sprechen Deutsch – English spoken – Hier spreekt men Nederlands”. Een partner die de lekkerste streekgerechten klaarmaakt die ik de volgende dag op de plaatselijke markt ga verkopen. In de namiddag trek ik naar de Mont Ventoux om een memorabele foto te nemen van mensen die hun levensdroom realiseren (Ja, is u dat al opgevallen dat die mensen daar het hart uit hun lijf rijden, aankomen op de top maar er niemand is om dat te vereeuwigen?) Ik steek dat dan in een mooi mapje “Souvenir du Mont Ventoux” en verkoop dat aan 10 eur.

Gite de France. Met prachtig ingerichte kamers, een heerlijk avondmaal, schitterend uitzicht. Wachten op gasten. Er moet een markt voor zijn. Het gat. Een markt voor mensen die net zoals ik geen mensen willen zien. Geen zin hebben om te kletsen met hun gastvrouw/gastheer, geen contact willen met de uitbaters, niet willen ontbijten aan de gezamelijke tafel – o gezellig – en niet elke avond een glaasje willen drinken om de dag te evalueren? Ja toch? Want zo’n B&B wil ik namelijk.

Ik zal nog maar eens kijken vanavond. En opgelucht zuchten na afloop.

de helaasheid van het succes

NU IN DE BIOSCOOP

Een hilarische film. De meest misplaatste definitie in veel recensies de media over “De helaasheid der dingen” van Felix Van Groeningen, de verfilming van het boek van Dimitri Verhulst.

De film is het slachtoffer geworden van het succes van het boek. Ik lees en hoor termen als ‘kaskraker’ en ‘komedie’. Alsof men het over een Kampioenenfilm of een slapstick heeft. Een “Bienvenue chez les Ch’tis” in Vlaanderen. Wie met deze verwachtingen naar de film gaat kijken zal teleurgesteld zijn. Wie niet bekend is met het oeuvre van Van Groeningen ook.  En blijkbaar zaten er nogal wat zo’n kijkers in de bioscoop gisteren. Waardoor ik vooral geïrriteerd was omdat ik geregeld buldergelach hoorde. Want ik zag een een prachtfilm. Een ontroerende, poëtische, nostalgische, melancholische, intrieste, rauwe en confronterende film over het lot en het leven.

Net zoals toen ik het boek gelezen had speelt de film vandaag nog steeds door mijn hoofd. Ik ben er droevig van. Het in beelden zien wat ik in woorden las was aangrijpend. Ja, er komen situaties in die je kan als hilarisch bestempelen. Maar wie er niet tegelijk de immense tristesse in ziet begrijpt niks van het boek, kent niets van dit milieu. Heeft het nooit van nabij meegemaakt en er met dezelfde ogen staan naar kijken als Günther. Of zelfs nog maar van de zijlijn met de geruststellende gedachte dat hij slechts een toeschouwer was. Verwonderlijk hoe van Groeningen als prille dertiger dit milieu treffend weet te typeren. Sommige onvergetelijke fragmenten, zoals de scène waarin de vier broers met Günther in quasi zwart/wit en slowmotion de straat uitlopen ontroeren tot tranens toe. Hartverscheurend mooie beelden. Het camerawerk, de montage,  de muziekscore, het wisselen tussen twee tijdsperiodes, het spelen met kleuren en de verhalende voice-over, ik verwijs hiervoor naar professionele recensies, ik jubel met hen mee. Van Groeningen blijft trouw aan zijn stijl en bevestigt zijn groot talent.

Qua acteurprestaties schitteren Koen De Graeve (Celle) en Johan Heldenbergh (Breejen). De Graeve heeft natuurlijk het voordeel afkomstig te zijn uit het Aalsterse, waardoor het naturel hem iets gemakkelijker afgaat.  Wouter Hendrickx (Nonkel Petrol) en Bert Haelvoet (Koen) moeten er niet voor onderdoen en bewijzen hun talent door het verpersoonlijken van mensen waar je zo direct een echt naam kan op plakken.  Ze zijn het. Meetje (Gilda De Bal) en de volwassen Günther  (Valentijn Dhaenens) zijn uitstekend maar konden me minder beroeren. Deze film brengt me terug op discussie over het gebruik van het dialect. Verkoos Van Groeningen om als basis het dialect van Aalst en omstreken te gebruiken, dan is het toch jammer dat dit niet ten gronde werd doorgevoerd. Het resultaat is een mengeling van plat Oilstersj en iets wat daarvoor moet doorgaan, gesproken door acteurs die niet geheel vertrouwd zijn met de zeer eigen klanken van deze streektaal. Waardoor het authentieke weer wat verloren gaat. Ik vraag me trouwens af of mensen die dit dialect niet kennen alles begrijpen, want de film wordt niet ondertiteld, tenzij in het Frans.

Nog wat vragen: zou de film evengoed begrijpbaar zijn voor mensen die het boek niet gelezen hebben? Heb ik de film kunnen volgen omdat ik het boek las? De film lijkt me eerder fragmentarisch en niet echt verhalend. Pakt de film me sterker omdat ik de streek (nochtans is niet alles in de buurt gefilmd) en zijn mensen zo goed ken? Beïnvloedt deze kennis mijn oordeel? Eigenlijk doet het er niet toe. Ik las dat Dimitri Verhulst niet erg gelukkig was met de film. Ik kan dat niet geloven. Wat ik geloof is dat hij niet achter het ene beeld staat dat er uit gefilterd is om als affiche te dienen, een hoogstens  1 min. durende scène in de film. Misleidend en jammer, maar commercieel helaas begrijpelijk. Wat ik geloof is dat hij niet opgezet is met het opvoeren van zijn familie als komedianten en de hele heisa er rond. (Dat hij trouwens ooit eens bijzonder mooi verwoord heeft in een interview nà een opname van “iets met boeken”.) Niet met het organiseren van een volksfeest in Aalst waarbij marginaliteit als een soort kwaliteit, een levenshouding, een verpersoonlijking van de Aalsterse ziel gepromoot wordt. Als een curiositeit en iets om hoog in het vaandel te dragen.  Als geen ander weet hij deze te typeren en te omschrijven, maar zou hij het echt bedoeld hebben zoals het op de website van de stad Aalst verwoord wordt? Ik begrijp waarom hij daar niet aanwezig was. Maar als ik Verhulst was, zou ik uitermate gelukkig zijn met deze meer dan geslaagde verfilming. En het als een totaalpakket zien. Woorden die beelden worden en beelden die weer woorden worden.  Een geslaagde symbiose. Wat niet van alle boekverfilmingen kan gezegd worden.

Gaat u vooral kijken. Natuurlijk mag de film een kaskraker worden. Omdat dit soort film het eindelijk verdient.

twogje #2

Verdeelde meningen over Michel Houellebecq.Maar hij blijft één van mijn lievelingsschrijvers.De mogelijkheden van een eiland. Derde lezing.

iets gelezen

EEN NIEUW BEGIN

Een paar pogingen gedaan gedurende de zes maand dat ik aan het werk was om wat te lezen, maar het is niet echt gelukt.

De schade moet ingehaald worden. Het meest benieuwd ben ik momenteel naar “Hoe ik nimmer de ronde van  min 12 jarigen won” van Ivo Victoria maar omdat de economische crisis ook mij treft en ik die zou moeten kopen. Ik heb mezelf echter voorgenomen geen enkel boek meer te kopen voordat ik alle boeken in mijn eigen bibliotheek uitgelezen heb. Ondertussen hou ik Tweebronnen in het oog. Ze hebben drie exemplaren.

* Roddy Doyle Barrytown Trilogie
Een boek wat je niet kan opzijleggen maar nooit eerder heb ik het me 656 bladzijden lang zo erg gerealiseerd dat ik een vertaald boek aan het lezen was. Ik hoorde gewoon Engels met Ierse tongval. Is dat te wijten aan het niveau van de  vertaling of aan de zo treffende en typerende beschrijving van deze Ieren en hun dagelijks leven? De verhalen zijn verfilmd en helaas zag ik al deze films en het jammere is dat je je geen eigen voorstelling meer kan maken van de personages, ze zijn al gedefinieerd en zitten al netjes in je kop. Ietwat gedateerd, maar verhalen waar ik van hou. Een beetje triestige helaasheid maar met een optimistische vrolijkheid in een in alle omstandigheden liefdevolle en warme omgeving.

* C.J. Sansom – Winter in Madrid
Een gekregen boek dat ik hoogstwaarschijnlijk niet zelf zou gekocht hebben, maar de schenker heeft een goede keuze gemaakt. Een meeslepende roman over een Brits diplomaat/spion in een Madrid – dat nog bekomt van de burgeroorlog maar reeds te maken krijgt met de Tweede wereldoorlog. Verwikkelingen in en rond de Britse ambassade. Alle door mij zeer gesmaakte ingrediënten zijn aanwezig: oorlog, complotten, intriges, sociaal onrecht en geschiedenis waardoor ik het boek omzeggens quasi in één ruk uitlas. Een spannende thriller die je tegelijk een inzicht geeft, meer nog, die je benieuwd maakt naar meer achtergrond over deze periode in de Spaanse geschiedenis waarvan ik me tijdens het lezen gerealiseerd heb dat ik er eigenlijk niet zo veel van wist. Een boek die je doet vragen stellen over het grote gelijk, over politieke voorkeuren en  de onzin van oorlog.  Alhoewel je sneller dan de protagisten doorhebt hoe het precies zit, blijft het spannend en is de afloop uiteindelijk nog zeer verrassend.

* Maarten Van Ginderachter – Het rode vaderlandDe vergeten geschiedenis van de communautaire spanningen in het Belgische socialisme voor WOI
Neen, dit non-fictie werk heb ik nog niet uit. Dit is geen boek om in één ruk uit te lezen, maar een boek om te doseren en te laten inwerken. Het handelt over een zeer specifieke periode van de socialistische partij, waarbij ik soms bijkomende achtergrond nodig heb om alles te vatten. En zo’n werken moet je vooral lezen om goed te onthouden en dan moet het met stukjes en brokjes. Zeer leesbaar en begrijpelijk geschreven, het geeft me bijkomende inzichten maar één ding stel ik tot nu toe vast: veel is er nog niet veranderd. Evaluatie wanneer ik het uit heb.