funky town

TOWN TO KEEP ME MOVIN’

‘Neen, we gaan niet wéér in een restaurantje aan de rand van ’t stad zitten, laat jij nog maar eens je kop zien in ’t centrum!’ berispte een vriendin me eerder deze week toen ik opperde dat ik geen zin had om in de avondspits naar Brussel centrum te rijden om af te spreken. Ik zag er tegenop. ’t Moet bijna alweer van augustus geleden zijn. En dat terwijl ik vroeger quasi élke avond bleef hangen op de terrassen en in de café’s van de Vlaamse Steenweg, Graanmarkt en Dansaertstraat. Maar toen wàs ik er, ik werkte er namelijk.

Maar goed, ze had gelijk. Nog eens wat incrowd zien, ’t kon geen kwaad, het had me al eerdere nuttige tips opgeleverd, want hoe je het draait of keert, de sector waarin ik werk plaatst zelden of nooit advertenties, maar put enkel uit: ‘Ken jij nog iemand?’ ‘Ahja, bel die of die eens…”. Gruwelijk Netwerken.

Op de E40 zag ik het nog allemaal geweldig zitten, ik had er zin in.  T. had gelijk, het was te lang geleden. Tot ik aan de LeopoldII tunnel kwam. Vol. Zo vol als op de ochtendspits waar ik jaren ingestaan had. Vrijdagavond, richting centrum. Iedereen vertrok dan toch UIT Brussel?! Uit ervaring wist ik dus ook hoe lang je erover deed tot uitgang Sainctelette. Mijn humeur zakte met de minuut. Gelukkig was ik op tijd vertrokken. Twintig minuten later, eindelijk tunnel uit, ’t zou nu wel snel gaan. Dat was buiten de wegenwerken gerekend waar ik niet van op de hoogte was. Naast het kanaal straat afgesloten. Iets verder, Ieperstraat, gesloten eveneens wegens werken. Er zat niets anders op dan hoofdweg langs het kanaal te volgen aan de kant van het Klein Kasteeltje. Ik zal het geweten hebben. Twintig (20!) minuten tot aan de Dansaertstraat. Geduldig eenvaksrijtje schuiven terwijl je tientallen wagens rechts van je ziet over de trambaan/sporen scheuren. Scheuren, ja echt. Foeteren, vloeken, ergeren, weten dat je veel te laat bent, een platte gsm waardoor ik niemand kan verwittigen en terwijl toch rustig en geduldig aanschuiven. En dan komt pas het ergste: parking. Alle kleine straten staan aan beide kanten vol, ook al mag je slechts aan één kant parkeren. Zelfs op elke hoek staat een wagen. Al toertjes draaien vraagt een mens zich af hoe de hulpdiensten hier ooit ever zouden doorgeraken wanneer er ergens een brand uitbreekt. Eindelijk het geluk dat er iemand wegrijdt.

Drie kwartier te laat ben ik en van buitenaf zie ik reeds een andere donderwolk aan de toog zitten. Nog alleen. “Er is nog niemand?” “Neen, en je hebt geluk, nog vijf minuten en ik was weg.” gromt ze. “Wie verwacht er nu om anderhalf uur te rijden over een kleine vijfentwintig kilometer?” Vijf minuten later stormt de derde donderwolk binnen. “Shit, fuck, kak, ik haaaaaat Brussel!! Drie kwartier over zeven kilometer!”

Het werd nog een leuke avond. In het centrum van Brussel. Ik kom mijn huis uit om in een  (in bepaalde kringen bestempeld als zeer) hippe tent te zitten waar de muziektapes uit de jaren tachtig opgenomen in mijn ouderlijke discoteek gespeeld werden, de hele avond lang. Ik heb er nog tientallen in mijn kast liggen. Ik ben bijzonder uptodate, muziekgewijs. Niets veranderd. Behalve het verkeer.

Epiloog: vandaag moest ik alweer in Brussel zijn,  omgeving Naamse Poort deze keer en ik kwam vanuit Leuven. Het zou nu wel snel gaan, ’t was zaterdag en het was middag. Maar toch voor alle zekerheid ruim op tijd vertrokken. Kortenbergse straat naar Shuman tot voor in de Wetstraat eivol. Voetje voor voetje aanschuiven. Een uur en vijf minuten op een traject wat je met gemak op dertig minuten kan doen. Op het nippertje net niet te laat op de afspraak. Brussel. Hel, kak, fuck, shit. Ik haat Brussel en zijn verkeer. En neen, het openbaar vervoer was geen optie.

(Later op de avond bij het tvkijken komt de confrontatie: Ik lijk wel een gepensioneerd typetje uit Manbijthond. “Banieje, in d’t stad, oei doar kommekik niet zenne, veel te gevoarlijk, ziedes op ’t land hoe schuën…)

Advertenties

de dag nadien

WELL, ANYWAY, IT’S LOOKING LIKE A BEAUTIFUL DAY

Belgen worden het gelukkigst door lekker eten, lees ik in de krant. Een goed glas wijn op tijd en stond doet ook wonderen, merkte ik gisteren. Werd ik in eerste instantie al blij doordat die Brusselse Italiaan ons na een laatste bezoek van drie jaar geleden met een warme handdruk en een dikke kus verrukt verwelkomde (het leek me echt meer dan zijn vroegere commerciële gezwam) en oprecht blij was ons terug te zien, na afloop van de lunch die gepaard ging met een voortreffelijke Italiaans wijntje was ik zowaar intens vrolijk.

Op de terugweg moest ik onbedaarlijk lachen om de kunstenaar die het op de radio hardnekkig bleef hebben over Louis Kodack ipv Louis Toback wegens de talrijke Leuvense camera’s (flauw, flauw). Door een aanklampende en opdringerige wagen achter me (Ja sorry hoor, bebouwde kom, hier mogen we echt niet harder!) had ik in plaats van me te ergeren, plezier doordat ik hierdoor moest denken aan die keer, jaren geleden, dat ik kilometers lang gevolgd werd door een bumperklever op een bochtrijke weg waar vijftig de maximum snelheid was en die uiteindelijk met knipperende lichten de kans zag om me over te gaan en enkele kilometers verder door de bocht in de gracht was belandt. Hahahaha, was dat lachen en dat alles in een dorp met de heerlijke naam Smeerebbe-Vloerzeggem, net voor de Mont-Blanc. Ondertussen was ik van de autoradio overgeschakeld op de cdplayer en merkte ik op dat Elbow na hun hemels concert vorige week, nog pakkender is dan ik al jaren beweer. Replay, replay, replay. 37 km lang.

Drank lost je problemen niet op, hoorde ik berispend na aankomst op de plaats waar ik na het Brussels onderonsje met een goede vriendin moest zijn.  Maar toch proeste ik het uit bij het verhaal van de auto die frontaal op de MIBV bus was ingereden op de Rogierlaan doordat hij op de busbaan reed en nergens meer kon invoegen. Eigen schuld, dikke bult. Thuisgekomen moest ik dan alweer grinikken om de reply op een mail die ik van SP.A-er Danny Vandenbossche gekregen had met de aanhef: “Geachte Heer”. Om zoiets moest ik normaal gezien toch steigeren?

En gisterenavond tenslotte, op een afscheidsdrink van een vriendin  die voor minstens een jaar naar het buitenland vertrekt (zucht, nog één), merkte ik nogmaals op dat het deugd doet. De drank of het samenzijn, daar ben ik momenteel nog niet aan uit.  Wat me, naast het pakkend emotioneel afscheid, daarvan bijblijft is een leerrijk en interessant gesprek met het veertienjarig neefje van deze vriendin. Verbazingwekkend volwassen met tegelijk een ontwapenend naiëve frisheid, lijken me die pubers.  Ik zie nog zelden mensen van die leeftijd. Maar ik heb o.a. geleerd dat facebook “voor oukes is” en dat “netlog in is”. Bij veertienjarigen! Onthullend. En ik heb een nieuw msn-adres van iemand die blijkbaar zelf heel geÏntrigeerd was door een “oudje” die wist wat facebook was en al eens een filmpje bekeek op youtube.

Heel even en bijwijlen zou ik het leven schoon durven noemen.